Aap: Zie Bezaan.
Apostel: De verticale stootranden aan weerszijden van de voorsteven, meestal als verbinding tussen onder- en boven berghout.
Berghout: Beschermings- of stootrand rondom het schip meestal ter hoogte van het dek, of daar net onder
Bezaan: Trapeziumvormig zeil dat aan de gaffel bevestigd wordt.
Blok: Katrol.
Boegspriet: Uitstekend rondhout aan de voorzijde van een zeilschip.
Boeisel: Boeisel of bergplaat, bij houten schepen waterloopklos. Het zijn de rechtopstaande huidplaten naast het gangboord als verhoging van de romp. Bij veel schepen alleen bij de voorsteven.
Bons:
Bun: Houten kist met gaatjes waarin vis in het water levend bewaard wordt.
Dirk: Val (lijn) waarmee de giek wordt op- of neergehaald.
Fok: De fok is het driehoekig zeil aan de voorstag of fokkestag van een zeilschip.
Gaffel: Gaffelvormig rondhout aan de mast van een schip, gaffelvormig = gevorkt.
Grootzeil: Het toren- of gaffelzeil aan de grote mast op een schip.
Kluiver: Driehoekig zeil aan de kluiverboom of boegspriet van een schip.
Kluiverboom: Rondhout waaraan de kluiver wordt bevestigd.
Koninginnebalk:
Plecht: Verhoogd dek bij de voorsteven van een schip.
Punter: Open vaartuig met een rechte, schuin uit het water opkomende steven en een vlakke bodem.
Spant: Gebogen profielbalk die de dwarsverbinding vormt van een scheepsromp.
Stag: Lijn die de masten en stengen naar voor of naar achteren steunt.
Stangel:
Steng: Verlengstuk van een mast.
Verstaging: Stag
Zwaard: Ovaal schild aan weerskanten van een schip om afdrijven of omslaan te voorkomen.
|
©copyright 2004 - ReMi Webdesign -
|